Aangezien we het ambt van profeet al in het Oude Testament tegenkomen, moeten we daar ook de basisdefinitie zoeken. Het Hebreeuwse woord voor profeet is 'nabi', hetgeen 'aankondigen', 'betuigen' of 'getuigen' betekent. In Deuteronomium 18:18 staat het ambt van profeet duidelijk omschreven: 'Een profeet zal ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied.' Een profeet is iemand die zich namens God tot het volk richt door uit te spreken wat God in zijn mond heeft gelegd. Dezelfde gedachte komen we tegen in het woord van de HERE tot Mozes nadat deze had gezegd dat hij niet in staat was tot de farao te spreken: 'Zie, Ik stel u als God voor Farao; en uw broeder Aäron zal uw profeet zijn. Gij zult alles zeggen wat Ik u gebied, en uw broeder Aäron zal bij Farao het woord voeren' (Ex 7:1v). Aäron heet hier 'de profeet van Mozes' omdat hij namens Mozes moest optreden door de boodschap van Mozes aan de farao over te brengen. Dat spreken 'voor' of 'namens' God is ook de onderliggende gedachte in het getuigenis van de profeet Jeremia: 'Toen strekte de HERE zijn hand uit en roerde mijn mond aan, en de HERE zeide tot mij: Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond' (Jer 1:9). Soms bracht de profeet het volk namens God een boodschap met betrekking tot de omstandigheden van dat moment, soms voorspelde hij toekomstige gebeurtenissen. In beide gevallen deed hij echter niet meer dan de boodschap van de HERE doorgeven.
In Deuteronomium 13 en 18 komen we een aantal voorwaarden tegen waaraan een profeet moet voldoen, alsmede enkele criteria waaraan we de echtheid van zijn profetenambt kunnen toetsen:
Hij moet uit het midden van zijn broeders zijn genomen (Dt 18:18).
Hij moet tot zijn broeders spreken in de naam des HEREN (Dt 18:19).
Hij kan zijn profetie gepaard doen gaan met het verrichten van wonderen en tekenen (Dt 13:1).
Als hij iets profeteert dat niet strookt met wat reeds is geopenbaard in de wet van God, dan moet men hem afwijzen ook al verricht hij tekenen en wonderen (Dt 13:1vv; God kan het optreden van valse profeten toelaten om onze gehoorzaamheid aan zijn woord op de proef te stellen).
Als hij de toekomst voorspelt en zijn voorspelling komt niet uit, dan moet hij worden afgewezen (Dt 18:20vv).
In het Nieuwe Testament komen we twee soorten profeten tegen: zij die het ambt van profeet bekleden (Ef 4:11) en zij die in de gemeente de gave van profetie bezitten. De eerste vorm van profetie behoort tot de bedieningsgaven, de tweede kan in beginsel toebehoren aan iedere geestvervulde gelovige. Niet iedereen kan het ambt van profeet bekleden ('de Here heeft zowel apostelen gegeven als profeten', Ef 4:11), maar volgens 1 Korintiërs 14:31 is het zo dat 'ieder een voor een kan profeteren'. Wie de gave van profetie heeft, is daarmee dus nog geen 'profeet', dat wil zeggen, iemand met de bediening van profeet.
Van alle gaven die Paulus in 1 Korintiërs 12 opsomt, is profetie de meest begerenswaardige (14:1,5,24v,39). Hoe belangrijk deze gave wel is, mag blijken uit het feit dat in 1 Korintiërs 12-14 het woord profetie in een of andere vorm twintig keer voorkomt. De gave van profetie wordt als volgt gedefinieerd: 'Wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend' (1Kor 14:3). In de Amplified Version staat ter verduidelijking: 'Wie profeteert (...) spreekt tot mensen om hen op te bouwen, om bij te dragen aan hun geestelijke groei, om te bemoedigen en te vertroosten.' Het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen wordt niet in verband gebracht met de gave van profetie, maar is een functie die behoort bij het ambt van profeet. De gave van profetie is er om de plaatselijke gemeente geestelijk op te bouwen. Wanneer de gemeente bepaalde feiten niet kent die zij wel zou moeten kennen of behoefte heeft aan wijsheid in verband met een praktische beslissing, kan er een woord van kennis of een woord van wijsheid komen dat gepaard gaat met de gave van profetie. Het was waarschijnlijk een woord van wijsheid op grond waarvan de apostelen wisten welke oplossing zij moesten kiezen voor het netelige probleem dat aan de orde was tijdens het apostelconvent in Jeruzalem (Han 15:27v). Judas en Silas, beiden profeten, kregen de opdracht om de beslissing van het convent bekend te maken aan de heidengelovigen in Antiochië. Lucas schrijft: 'Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden' (Han 15:32). Normaal gesproken geeft de Geest in geval van een gave van profetie de betreffende gelovige een bijzondere zalving om tot het lichaam te spreken, met woorden die niet van te voren bedacht zijn, maar op dat moment door de Geest worden ingegeven, om op te bouwen en te bemoedigen, om op te wekken tot trouwe gehoorzaamheid en dienstbetoon, om te troosten en te vertroosten. Een profetie hoeft niet persé te worden geuit in ouderwetse bewoordingen, ook niet met luide en bevende stem en ook niet in de eerste persoon enkelvoud. In paragraaf VII.E. ('Bijzondere voorschriften in verband met de gaven van tongen en profetie') komen we hier nog uitgebreider op terug.
Met toestemming van de uitgever overgenomen uit:
Woord en Geest, hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Guy P. Duffield en Nathaniel M. Van Cleave (uitg. Kok Kampen)
9 september 2010
5. Profetie
De Geestesgaven in 1 Korinthe 12
Het woord 'profeet' is een transliteratie van het Griekse 'profetes'; een samenstelling van 'pro' ('voort', 'voor' of 'namens') en 'femi' ('uitroepen', 'spreken'). Het woord 'profetes' kan betrekking hebben op iemand die 'voorspelt' (van te voren iets zegt), iemand die iets 'voortzegt' of iemand die 'namens een ander spreekt'.

Er heeft nog niemand gereageerd.


