9 september 2010
Geloof en gaven van genezingen
De Geestesgaven in 1 Korinthe 12
Vrijwel iedereen die over de geestesgaven schrijft, noemt de gave van geloof een gave van 'bijzonder geloof'.
Voor wat betreft de gaven van genezingen staan er in het Grieks twee meervouden: 'gaven van genezingen'.
Voor wat betreft de gaven van genezingen staan er in het Grieks twee meervouden: 'gaven van genezingen'.
Bijzonder geloof (vers 9)
Vrijwel iedereen die over de geestesgaven schrijft, noemt de gave van geloof een gave van 'bijzonder geloof'. Dat komt omdat we onderscheid moeten maken tussen enerzijds de gave van geloof en anderzijds het verlossende geloof op grond waarvan we christen worden, zonder welk geloof 'het onmogelijk is Hem welgevallig te zijn' (Heb 11:6). Alle geloof is van nature gelijk, maar bij de gave van geloof gaat het om een bijzondere mate van geloof en een bijzondere toepassing daarvan. Een voorbeeld van deze gave van geloof is de genezing van de verlamde man bij de Schone poort (Han 3). Petrus had het wondergeloof om in de naam van Jezus tegen de verlamde man te zeggen: 'sta op en wandel.'
Donald Gee schrijft naar aanleiding van dit geloof: 'Kennelijk komt dit geloof op bepaalde dienstknechten van God wanneer zich een crisis of een speciale gelegenheid voordoet, en wel met zodanige kracht dat zij boven het niveau van het natuurlijke of gangbare geloof in God worden uitgetild en hun ziel wordt vervuld met een goddelijke zekerheid die alles overwint'. (*)
Misschien was dit wel wat Jezus bedoelde toen Hij tegen zijn discipelen zei: 'Heb geloof in God' (Mc 11:22). In de Griekse grondtekst staat daar letterlijk: 'Heb het geloof van God.' In het daaropvolgende vers zegt Jezus dat men met dit geloof dat God geeft, tegen een berg kan zeggen: 'werp u in de zee' en dat het dan ook gebeuren zal. 'Berg' staat hier voor elk schijnbaar onneembaar obstakel dat de gemeente in de uitoefening van haar opdracht op haar weg vindt.
Gaven van genezingen (heelmakingen, vers 9)
Hoewel we ervan uitgaan dat alle 'geestelijkheden' ook 'charismata' (geestelijke gaven) zijn, wordt die term alleen genoemd in verband met de gaven van genezingen. In het Grieks staan er twee meervouden: 'gaven van genezingen'. Hieruit kunnen we opmaken dat er ofwel vele gaven van genezing voor verschillende ziekten zijn, ofwel dat elke uitoefening van genezende kracht een gave op zich is. Nergens in het Nieuwe Testament lezen we dat iemand 'de' gave van genezing heeft. De meeste evangelisten en predikanten die een geweldige genezingsbediening hadden, hebben de gedachte als zouden zij beschikken over een gave van genezing, van de hand gewezen. Niemand heeft ooit een bediening gehad om elke zieke te genezen. Jezus genas soms allen die tot Hem kwamen, maar op andere momenten werd Hij in zijn werk tegengehouden door dat de mensen te weinig geloof hadden (Mt 13:58). Zeker is wel dat God het mogelijk heeft gemaakt dat lichamelijke genezing een van de bedieningen van zijn gemeente is en dat er in combinatie met geloof gaven van genezingen aan de dag treden. Genezing is zo verweven met het optreden van Jezus en de apostelen, dat een gemeente zonder gaven van 'heelmakingen' ver af staat van het bijbelse patroon. Naast de gaven van genezingen moeten alle oudsten (voorgangers) bereid zijn om zieken met olie te zalven, wanneer zij daarom vragen, en voor hen een gelovig gebed te bidden. God heeft beloofd dat Hij de zieke dan gezond zal maken en zijn zonden zal vergeven (Jak 5:14vv).
In het zendingsbevel, zoals opgetekend door Marcus (Mc 16:15vv), staat ook de belofte van Jezus dat waar de gelovigen getuigen van het verlossende evangelie, tekenen hen zullen volgen. Als een van die tekenen noemt hij het genezen van zieken na handoplegging. Al die tijd die er nodig is om het evangelie aan de hele schepping te verkondigen, zullen tekenen de gelovigen volgen, waaronder de wonderbaarlijke genezing van zieken. De tekst spreekt over 'gelovigen'. Daaruit mogen we opmaken dat de 'tekenen' niet alleen door de apostelen moesten worden verricht, maar door allen die geloof hadden. In het zendingsbevel wordt uitdrukkelijk gesproken over 'handoplegging'. Dat is de zichtbare uiting van het geloof en de liefde van degene die voor de zieke bidt. Daardoor wordt het voor iedereen aanschouwelijk dat God de getrouwe gelovige wil gebruiken als een kanaal van zijn kracht. Ook het zalven met olie volgens Jakobus 5 gaat gepaard met het opleggen van handen. De olie symboliseert het werk van de Heilige Geest. Nadat Jezus de twaalf discipelen had uitgezonden om het Koninkrijk aan te kondigen, 'zalfden zij vele zieken met olie,' zegt Marcus, 'en zij genazen hen' (Mc 6:13). De gelovige is het instrument van Gods kracht, maar de genezing zelf is het werk van de Geest.
Bij sommige gelegenheden wordt de zieke genezen door het geloof van degene die voor hem bidt, op andere momenten is juist het geloof van de getroffene zelf belangrijk of zelfs essentieel: 'Paulus keek hem scherp aan en zag dat hij geloof had om genezing te vinden, en hij zeide met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer' (Han 14:9v). Paulus oefende de gaven van geloof en genezing uit, maar hij gaf zijn bevel pas nadat hij had gezien dat de verlamde man geloof had om te worden genezen. Uit het feit dat het in dit geval voor de getroffene zelf nodig was om geloof te hebben, mogen we opmaken dat wie genezing zoekt, zijn voordeel kan doen met 'geloofsopbouwend' onderricht. Niets versterkt ons geloof zozeer als het woord van God: 'Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus' (Rom 10:17). In het Oude Testament treffen we beloften van genezing aan (Ex 15:26, 23:25, Dt 32:39, 2Kon 20:5, Ps 30:1v, 103:3, 107:17-22, Jes 38:4v, 53:5) en in het Nieuwe Testament gaat het herhaaldelijk over genezing (Mt 4:23, 8:8,16v, 10:8, Mc 3:14v, Lc 4:40, 9:6, Han 3:1-11, 4:30, 4:15v, 8:7, 28:8, 1Kor 12:9, Jak 5:14vv, 1Pe 2:24).
(*) Donald Gee, Spiritual Gifts in the Work of the Ministry Today, Gospel Pusblishing House, Springfield 1963, blz. 65.
Met toestemming van de uitgever overgenomen uit:
Woord en Geest, hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Guy P. Duffield en Nathaniel M. Van Cleave (uitg. Kok Kampen)
Donald Gee schrijft naar aanleiding van dit geloof: 'Kennelijk komt dit geloof op bepaalde dienstknechten van God wanneer zich een crisis of een speciale gelegenheid voordoet, en wel met zodanige kracht dat zij boven het niveau van het natuurlijke of gangbare geloof in God worden uitgetild en hun ziel wordt vervuld met een goddelijke zekerheid die alles overwint'. (*)
Misschien was dit wel wat Jezus bedoelde toen Hij tegen zijn discipelen zei: 'Heb geloof in God' (Mc 11:22). In de Griekse grondtekst staat daar letterlijk: 'Heb het geloof van God.' In het daaropvolgende vers zegt Jezus dat men met dit geloof dat God geeft, tegen een berg kan zeggen: 'werp u in de zee' en dat het dan ook gebeuren zal. 'Berg' staat hier voor elk schijnbaar onneembaar obstakel dat de gemeente in de uitoefening van haar opdracht op haar weg vindt.
Gaven van genezingen (heelmakingen, vers 9)
Hoewel we ervan uitgaan dat alle 'geestelijkheden' ook 'charismata' (geestelijke gaven) zijn, wordt die term alleen genoemd in verband met de gaven van genezingen. In het Grieks staan er twee meervouden: 'gaven van genezingen'. Hieruit kunnen we opmaken dat er ofwel vele gaven van genezing voor verschillende ziekten zijn, ofwel dat elke uitoefening van genezende kracht een gave op zich is. Nergens in het Nieuwe Testament lezen we dat iemand 'de' gave van genezing heeft. De meeste evangelisten en predikanten die een geweldige genezingsbediening hadden, hebben de gedachte als zouden zij beschikken over een gave van genezing, van de hand gewezen. Niemand heeft ooit een bediening gehad om elke zieke te genezen. Jezus genas soms allen die tot Hem kwamen, maar op andere momenten werd Hij in zijn werk tegengehouden door dat de mensen te weinig geloof hadden (Mt 13:58). Zeker is wel dat God het mogelijk heeft gemaakt dat lichamelijke genezing een van de bedieningen van zijn gemeente is en dat er in combinatie met geloof gaven van genezingen aan de dag treden. Genezing is zo verweven met het optreden van Jezus en de apostelen, dat een gemeente zonder gaven van 'heelmakingen' ver af staat van het bijbelse patroon. Naast de gaven van genezingen moeten alle oudsten (voorgangers) bereid zijn om zieken met olie te zalven, wanneer zij daarom vragen, en voor hen een gelovig gebed te bidden. God heeft beloofd dat Hij de zieke dan gezond zal maken en zijn zonden zal vergeven (Jak 5:14vv).
In het zendingsbevel, zoals opgetekend door Marcus (Mc 16:15vv), staat ook de belofte van Jezus dat waar de gelovigen getuigen van het verlossende evangelie, tekenen hen zullen volgen. Als een van die tekenen noemt hij het genezen van zieken na handoplegging. Al die tijd die er nodig is om het evangelie aan de hele schepping te verkondigen, zullen tekenen de gelovigen volgen, waaronder de wonderbaarlijke genezing van zieken. De tekst spreekt over 'gelovigen'. Daaruit mogen we opmaken dat de 'tekenen' niet alleen door de apostelen moesten worden verricht, maar door allen die geloof hadden. In het zendingsbevel wordt uitdrukkelijk gesproken over 'handoplegging'. Dat is de zichtbare uiting van het geloof en de liefde van degene die voor de zieke bidt. Daardoor wordt het voor iedereen aanschouwelijk dat God de getrouwe gelovige wil gebruiken als een kanaal van zijn kracht. Ook het zalven met olie volgens Jakobus 5 gaat gepaard met het opleggen van handen. De olie symboliseert het werk van de Heilige Geest. Nadat Jezus de twaalf discipelen had uitgezonden om het Koninkrijk aan te kondigen, 'zalfden zij vele zieken met olie,' zegt Marcus, 'en zij genazen hen' (Mc 6:13). De gelovige is het instrument van Gods kracht, maar de genezing zelf is het werk van de Geest.
Bij sommige gelegenheden wordt de zieke genezen door het geloof van degene die voor hem bidt, op andere momenten is juist het geloof van de getroffene zelf belangrijk of zelfs essentieel: 'Paulus keek hem scherp aan en zag dat hij geloof had om genezing te vinden, en hij zeide met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer' (Han 14:9v). Paulus oefende de gaven van geloof en genezing uit, maar hij gaf zijn bevel pas nadat hij had gezien dat de verlamde man geloof had om te worden genezen. Uit het feit dat het in dit geval voor de getroffene zelf nodig was om geloof te hebben, mogen we opmaken dat wie genezing zoekt, zijn voordeel kan doen met 'geloofsopbouwend' onderricht. Niets versterkt ons geloof zozeer als het woord van God: 'Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus' (Rom 10:17). In het Oude Testament treffen we beloften van genezing aan (Ex 15:26, 23:25, Dt 32:39, 2Kon 20:5, Ps 30:1v, 103:3, 107:17-22, Jes 38:4v, 53:5) en in het Nieuwe Testament gaat het herhaaldelijk over genezing (Mt 4:23, 8:8,16v, 10:8, Mc 3:14v, Lc 4:40, 9:6, Han 3:1-11, 4:30, 4:15v, 8:7, 28:8, 1Kor 12:9, Jak 5:14vv, 1Pe 2:24).
(*) Donald Gee, Spiritual Gifts in the Work of the Ministry Today, Gospel Pusblishing House, Springfield 1963, blz. 65.
Met toestemming van de uitgever overgenomen uit:
Woord en Geest, hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Guy P. Duffield en Nathaniel M. Van Cleave (uitg. Kok Kampen)
Gaven van genezingen (heelmakingen, vers 9)
Hoewel we ervan uitgaan dat alle 'geestelijkheden' ook 'charismata' (geestelijke gaven) zijn, wordt die term alleen genoemd in verband met de gaven van genezingen. In het Grieks staan er twee meervouden: 'gaven van genezingen'. Hieruit kunnen we opmaken dat er ofwel vele gaven van genezing voor verschillende ziekten zijn, ofwel dat elke uitoefening van genezende kracht een gave op zich is. Nergens in het Nieuwe Testament lezen we dat iemand 'de' gave van genezing heeft. De meeste evangelisten en predikanten die een geweldige genezingsbediening hadden, hebben de gedachte als zouden zij beschikken over een gave van genezing, van de hand gewezen. Niemand heeft ooit een bediening gehad om elke zieke te genezen. Jezus genas soms allen die tot Hem kwamen, maar op andere momenten werd Hij in zijn werk tegengehouden door dat de mensen te weinig geloof hadden (Mt 13:58). Zeker is wel dat God het mogelijk heeft gemaakt dat lichamelijke genezing een van de bedieningen van zijn gemeente is en dat er in combinatie met geloof gaven van genezingen aan de dag treden. Genezing is zo verweven met het optreden van Jezus en de apostelen, dat een gemeente zonder gaven van 'heelmakingen' ver af staat van het bijbelse patroon. Naast de gaven van genezingen moeten alle oudsten (voorgangers) bereid zijn om zieken met olie te zalven, wanneer zij daarom vragen, en voor hen een gelovig gebed te bidden. God heeft beloofd dat Hij de zieke dan gezond zal maken en zijn zonden zal vergeven (Jak 5:14vv).
In het zendingsbevel, zoals opgetekend door Marcus (Mc 16:15vv), staat ook de belofte van Jezus dat waar de gelovigen getuigen van het verlossende evangelie, tekenen hen zullen volgen. Als een van die tekenen noemt hij het genezen van zieken na handoplegging. Al die tijd die er nodig is om het evangelie aan de hele schepping te verkondigen, zullen tekenen de gelovigen volgen, waaronder de wonderbaarlijke genezing van zieken. De tekst spreekt over 'gelovigen'. Daaruit mogen we opmaken dat de 'tekenen' niet alleen door de apostelen moesten worden verricht, maar door allen die geloof hadden. In het zendingsbevel wordt uitdrukkelijk gesproken over 'handoplegging'. Dat is de zichtbare uiting van het geloof en de liefde van degene die voor de zieke bidt. Daardoor wordt het voor iedereen aanschouwelijk dat God de getrouwe gelovige wil gebruiken als een kanaal van zijn kracht. Ook het zalven met olie volgens Jakobus 5 gaat gepaard met het opleggen van handen. De olie symboliseert het werk van de Heilige Geest. Nadat Jezus de twaalf discipelen had uitgezonden om het Koninkrijk aan te kondigen, 'zalfden zij vele zieken met olie,' zegt Marcus, 'en zij genazen hen' (Mc 6:13). De gelovige is het instrument van Gods kracht, maar de genezing zelf is het werk van de Geest.
Bij sommige gelegenheden wordt de zieke genezen door het geloof van degene die voor hem bidt, op andere momenten is juist het geloof van de getroffene zelf belangrijk of zelfs essentieel: 'Paulus keek hem scherp aan en zag dat hij geloof had om genezing te vinden, en hij zeide met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer' (Han 14:9v). Paulus oefende de gaven van geloof en genezing uit, maar hij gaf zijn bevel pas nadat hij had gezien dat de verlamde man geloof had om te worden genezen. Uit het feit dat het in dit geval voor de getroffene zelf nodig was om geloof te hebben, mogen we opmaken dat wie genezing zoekt, zijn voordeel kan doen met 'geloofsopbouwend' onderricht. Niets versterkt ons geloof zozeer als het woord van God: 'Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus' (Rom 10:17). In het Oude Testament treffen we beloften van genezing aan (Ex 15:26, 23:25, Dt 32:39, 2Kon 20:5, Ps 30:1v, 103:3, 107:17-22, Jes 38:4v, 53:5) en in het Nieuwe Testament gaat het herhaaldelijk over genezing (Mt 4:23, 8:8,16v, 10:8, Mc 3:14v, Lc 4:40, 9:6, Han 3:1-11, 4:30, 4:15v, 8:7, 28:8, 1Kor 12:9, Jak 5:14vv, 1Pe 2:24).
(*) Donald Gee, Spiritual Gifts in the Work of the Ministry Today, Gospel Pusblishing House, Springfield 1963, blz. 65.
In het zendingsbevel, zoals opgetekend door Marcus (Mc 16:15vv), staat ook de belofte van Jezus dat waar de gelovigen getuigen van het verlossende evangelie, tekenen hen zullen volgen. Als een van die tekenen noemt hij het genezen van zieken na handoplegging. Al die tijd die er nodig is om het evangelie aan de hele schepping te verkondigen, zullen tekenen de gelovigen volgen, waaronder de wonderbaarlijke genezing van zieken. De tekst spreekt over 'gelovigen'. Daaruit mogen we opmaken dat de 'tekenen' niet alleen door de apostelen moesten worden verricht, maar door allen die geloof hadden. In het zendingsbevel wordt uitdrukkelijk gesproken over 'handoplegging'. Dat is de zichtbare uiting van het geloof en de liefde van degene die voor de zieke bidt. Daardoor wordt het voor iedereen aanschouwelijk dat God de getrouwe gelovige wil gebruiken als een kanaal van zijn kracht. Ook het zalven met olie volgens Jakobus 5 gaat gepaard met het opleggen van handen. De olie symboliseert het werk van de Heilige Geest. Nadat Jezus de twaalf discipelen had uitgezonden om het Koninkrijk aan te kondigen, 'zalfden zij vele zieken met olie,' zegt Marcus, 'en zij genazen hen' (Mc 6:13). De gelovige is het instrument van Gods kracht, maar de genezing zelf is het werk van de Geest.
Bij sommige gelegenheden wordt de zieke genezen door het geloof van degene die voor hem bidt, op andere momenten is juist het geloof van de getroffene zelf belangrijk of zelfs essentieel: 'Paulus keek hem scherp aan en zag dat hij geloof had om genezing te vinden, en hij zeide met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer' (Han 14:9v). Paulus oefende de gaven van geloof en genezing uit, maar hij gaf zijn bevel pas nadat hij had gezien dat de verlamde man geloof had om te worden genezen. Uit het feit dat het in dit geval voor de getroffene zelf nodig was om geloof te hebben, mogen we opmaken dat wie genezing zoekt, zijn voordeel kan doen met 'geloofsopbouwend' onderricht. Niets versterkt ons geloof zozeer als het woord van God: 'Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus' (Rom 10:17). In het Oude Testament treffen we beloften van genezing aan (Ex 15:26, 23:25, Dt 32:39, 2Kon 20:5, Ps 30:1v, 103:3, 107:17-22, Jes 38:4v, 53:5) en in het Nieuwe Testament gaat het herhaaldelijk over genezing (Mt 4:23, 8:8,16v, 10:8, Mc 3:14v, Lc 4:40, 9:6, Han 3:1-11, 4:30, 4:15v, 8:7, 28:8, 1Kor 12:9, Jak 5:14vv, 1Pe 2:24).
(*) Donald Gee, Spiritual Gifts in the Work of the Ministry Today, Gospel Pusblishing House, Springfield 1963, blz. 65.



